De complexiteit van het herdenken van oorlog

In de Iraaks-Koerdische stad Sulaymaniyah staat het nationale museum Amna Suraka. Dit gebouw werd door de inlichtingendienst van Saddam Hoessein gebruikt als gevangenis waar politieke activisten werden vastgehouden, verhoord en gemarteld. Ter herdenking van de slachtoffers staan tegenwoordig van gips gemaakte levensechte witte sculpturen tentoongesteld in de voormalige cellencomplexen. Deze sculpturen zijn gebaseerd op de verhalen van voormalige gevangenen, opgetekend door de Koerdische kunstenaar Kamaran Omar.
Bareez Majid

De sculpturen in het nationale museum representeren het lijden en de verschrikkelijke levensomstandigheden van de overwegend mannelijke gedetineerden die in het gebouw gevangen zaten. In de vrouwenafdeling van de gevangenis treft men enkel een sculptuur van een vrouw aan. Deze vrouw staat in een hoek van de cel en is gekleed in rafelige traditionele Koerdische klederdracht. Aan haar been klampt zich een kind vast. In het vervolg van dit stuk zal ik vanuit het perspectief van gender laten zien dat de eenzame sculptuur van de vrouw dient te worden begrepen vanuit de gevoelens van schaamte en angst waar vrouwen tot op de dag van vandaag in deze regio mee geconfronteerd worden. Het is voor politiek geëngageerde vrouwen, die geleden hebben onder Saddams regime, bijna onmogelijk om met hun verhalen naar buiten te treden zonder daarbij te worden gereduceerd tot passieve actoren in een contemporain politiek spel.

 

 

Politiek van herdenken

De realiteit leert ons dat een oorlog geen kant-en-klaar eindverhaal kent met duidelijke rollen weggelegd voor slachtoffers, verliezers en overwinnaars. Integendeel, verhalen die rekenschap afleggen van een geschiedenis van oorlogen en oorlogstrauma’s zijn niet alleen subjectief en persoonlijk van aard, maar worden daarnaast sterk bepaald door politieke, economische en sociale machtsstructuren. Deze structuren bepalen vaak grotendeels wie een stem toebedeeld krijgt en wie niet. Deze machtsstructuren zien we terugkeren in de herinneringscultuur die tot stand is gekomen in Iraaks-Koerdistan, waar verscheidene herinneringsplekken zijn opgericht die de verschrikkelijke tijd herdenken waarin Saddam Hoessein als dictator aan de macht was. Het achterliggende idee voor het opzetten van deze plekken is de opvatting dat een collectieve vorm van herinnering, zeker na jaren van geweld, een positieve bijdrage kan leveren aan het opbouwen van een groepsidentiteit en daarmee aan het voorkomen van verdere conflicten. In de praktijk blijkt dit ideaal echter lastig te zijn binnen post-conflictueuze samenlevingen waar weinig politieke consensus bestaat, een probleem dat weer wordt weerspiegeld door herinneringsplekken. Een zo’n plek van herinnering is het bovengenoemde museum Amna Suraka, dat een verhaal vertelt dat is gebaseerd op een politieke en maatschappelijke ideologie, aangehangen door de initiators. Hierover later meer.

 

Om dit verhaal te analyseren en onderzoek te doen naar de herinneringscultuur van Iraaks-Koerdistan, toog ik in 2014 naar de Koerdische stad Sulaymaniyah, die sinds het begin van de jaren negentog onder het bewind valt van de Kurdistan Regional Government (krg). Het oorspronkelijk plan was om zes maanden als vrijwilligster in Amna Suraka te werken. Zo zou ik niet alleen in contact kunnen komen met het museumpersoneel en met bezoekers, maar ook zou ik in staat worden gesteld dissidenten te spreken die in het gebouw vast hadden gezeten toen het nog een gevangenis was. Dit was voor mijn onderzoek van groot belang, met name omdat ik wilde weten hoe zij zich voelden bij de representatie van de verschikkingen die in het gebouw hadden plaatsgevonden. Dat ik te maken zou krijgen met getraumatiseerde mensen, was een punt van aandacht waar ik mij tijdens mijn voorwerk zeer intensief in heb verdiept. Waar ik mij echter niet op heb weten voor te bereiden, was de plotseling verslechterde situatie in Irak. In juni 2014, kort voor mijn vertrek, werd een kalifaat onder de naam ‘Islamitische Staat’ uitgeroepen.

 

 

Na uitvoerig onderzoek besloot ik uiteindelijk toch, met twee maanden vertraging, te vertrekken. Eenmaal aangekomen in Sulaymaniyah kwam ik tot de ontdekking dat juist deze onverwachte wending een dimensie aan mijn onderzoek toevoegde: de slachtoffers van gisteren identificeerden zich sterk met de Yezidi-gemeenschap. Op het moment van mijn verblijf werden de Yezidi’s van alle kanten bedreigd, uit hun huizen verdreven en systematisch vermoord. Een gedeeld sentiment, zo bemerkte ik keer op keer, was dat de geschiedenis zich herhaalde: het geloof in een lineaire en positieve ontwikkeling van de geschiedenis was verloren. Hoop, vrede en verzoening leken verder weg dan ooit. 

 

 

Amna Suraka – Een oriëntatiepunt 

Amna Suraka heeft geen naamborden, ook zijn er geen borden die de weg naar het museum wijzen. Dit lijkt echter geen obstakel te zijn voor de inwoners van de stad; mijn taxichauffeurs wisten mij zonder enige toelichting moeiteloos naar het museum te brengen. Er wordt geen entree of registratie gevraagd. De bezoeker betreedt het gebouw via een binnentuin, waar allerlei artillerie tentoon staat gesteld, omringd door rozentuinen. Je zou kunnen betogen dat is gepoogd het kwaad, in de vorm van de artillerie, onschadelijk te maken door het te omringen met rozen. Dit effect komt nog sterker tot uiting bij het zien van de meeste jongeren die het museum bezoeken: zij blijven bij de uitgestalde tanks hangen om daar selfies te maken voor op hun Facebook-pagina. Op deze paar jongeren, een paar Koerden in diaspora en internationale toeristen na, zijn er dagelijks weinig bezoekers aan te treffen in het gebouw. Het museumpersoneel vertelde me dat de afname van met name internationale bezoekers vooral te wijten is aan de oorlog. Er is geen duidelijke route in het museum aangelegd, waardoor men de verscheidene tentoonstellingen die zijn gevestigd in een tiental ruimtes vrijelijk kan bezoeken. Aandacht wordt geschonken aan de slachtoffers van de gifgasaanvallen op het Koerdische plaatsje Halabjah in 1988, waarbij duizenden slachtoffers vielen. Daarnaast wordt in een ruimte genaamd ‘Hall of Mines’ stilgestaan bij het gebruik van mijnen onder Saddam Hoesseins regime; mijnen die, zo laat het museum zien, afkomstig waren uit het Westen en tot op de dag van vandaag vele slachtoffers maken. 

 

Naast deze traumatische gebeurtenissen zet het museum ook een beeld neer van Koerdische cultuur en van het volhardende karakter van Koerden. De bezoeker wordt ingeleid in de geschiedenis van Koerdistan en in de Koerdische cultuur via een tentoonstelling over Koerdische klederdracht. Dat uiteindelijk deze cultuur heeft kunnen voortbestaan, zo lijkt het door het museum vertelde verhaal impliciet te zeggen, is te danken aan de heroïsche daden van zij die hun leven hebben gegeven. Een speciale tentoonstelling gewijd aan de peshmerga’s, de Koerdische strijders, bevestigt dit idee. Helemaal achter op het terrein vinden we de cellencomplexen. Anders dan in de andere tentoonstellingen zijn er in dit gedeelte nergens begeleidende teksten te vinden. In plaats daarvan heeft men een reconstructie gemaakt van de leefomstandigheden van de gevangen; zo liggen er een paar dekens op de grond en plastic bakjes waar gevangenen hun eten in moesten bewaren. In de isoleercellen, zo krijgt men tijdens de rondleiding te horen, waren de gevangenen verplicht gebruik te maken van dezelfde bakjes om hun behoefte in te doen. Het verlangen om een zo ‘realistisch’ mogelijk beeld te geven wordt weerspiegeld door de bovengenoemd sculpturen van mannen in isoleercellen, van mannen die lijden, en van sadistische beulen die gevangenen martelen. In de blikken van de beelden, die allen naar beneden zijn gericht, lezen de bezoekers onmacht en pijn.

 

Taboe

Opvallend is dat er maar een sculptuur aanwezig is die een vrouw verbeeldt, tegen een zestal sculpturen van mannen. Dit wekt de suggestie dat het aantal vrouwelijke gevangenen kleiner was en dat de vrouwen die wel werden opgepakt vaak als lokaas dienden. Door vrouwen en kinderen gevangen te nemen dwong het regime inderdaad veel mannen om zich aan te geven. Het is echter evident dat dit beeld niet helemaal strookt met de werkelijkheid. Er waren namelijk wel degelijk (voornamelijk jonge) politiek activistische vrouwelijke gevangenen, die ook als zodanig door het regime werden veroordeeld. Dit hield onder andere in dat ze aan dezelfde martelingen konden worden onderworpen als mannen. Hun gevangenschap behoort echter nog altijd tot de taboesfeer, omdat eer een belangrijke rol speelt in de Iraaks-Koerdische samenleving. Het meest zichtbaar is dit in de lege ruimte waar men, toen het museum net was geopend, een matras had neergelegd. Dit zou de plek zijn geweest waar vrouwen seksueel werden misbruikt. Vanwege het taboe-karakter van dit onderwerp is er echter uiteindelijk voor gekozen om deze kamer leeg te laten, en de gidsen lopen er zonder uitleg langs. Niet alleen in het museum maar ook tijdens het zoeken naar vrouwelijke respondenten voor mijn onderzoek, werd het me duidelijk hoe moeilijk het is om deze taboesfeer te doorbreken. Het was zeer lastig om vrouwen te vinden die naar voren wilden treden om hun verhaal te doen. Zo stonden er tegenover de drie vrouwen bij wie ik diepte-interviews kon afnemen twaalf mannen; Nazize, een vrouw die gevangen was genomen samen met haar drie kinderen, en Shahla en Gulan, twee jonge vrouwen die op hun achttiende en negentiende jaar gevangen waren genomen (deze namen zijn gefingeerd). Daarnaast leerde ik tijdens twee informele bijeenkomsten van bevriende ex-gevangenen een groep van in totaal vijftien mannen kennen. Maandelijks kwamen ze bijeen om onder het genot van drank en lekker eten samen te zijn. Vrouwelijke ex-gevangenen konden zich echter niet op een soortgelijke manier organiseren: ze hadden geen tot nauwelijks contact met hun oudere kameraden en droegen veelal hun last in hun eentje. Hun lijden werd en wordt in de taboesfeer gedrongen. 

 

 

Hoewel het voor zowel de mannen als voor de vrouwen zeer pijnlijk was om mij hun meest persoonlijke verhalen te vertellen, vielen mij ook verschillen op tussen de vrouwen onderling. Nazize bijvoorbeeld had een zeer moeilijke tijd beleefd met haar kinderen in de gevangenis. Uit haar verhaal merkte ik hoeveel het had haar had gedaan dat ze door de gevangenisbewaarders keer op keer was verteld dat ze zou worden gemarteld voor de ogen van haar kinderen. Over het algemeen leek het voor haar niet erg moeilijk om een afgerond verhaal te vertellen, en wanneer er toch gaten in haar geheugen vielen, dan wisten haar kinderen die op te vullen. Een afgerond verhaal was echter niet te vinden bij Shahla en Gulan, die beiden om hun politieke ideologie op jonge leeftijd waren opgepakt. Anders dan Nazize stonden ze nauwelijks stil bij datgene wat er daadwerkelijk met hen was gebeurd, maar draaide hun verhaal meer om de kwestie dat hun ‘verleden’ hen nog altijd op een negatieve manier achtervolgt. In plaats van dat ze, net als de mannen die gevochten hebben, worden geëerd om wat ze gedaan hebben, krijgen ze nog altijd de vraag of ze zijn onteerd tijdens hun gevangenschap. Shahla, die vandaag de dag getrouwd is met een van haar kameraden, heeft er daarom voor gekozen om nooit en te nimmer haar verhaal te doen; ook haar kinderen zullen het nooit te horen krijgen. Shahla gaf toe dat ze dit bewust had gedaan en er daarom ook voor had gekozen om nooit meer een voet te zetten in Amna Suraka. Voor mij had ze een uitzondering gemaakt. Het speet haar echter enorm dat het museum er niet in slaagt haar te steunen bij haar pijn en lijden, en recht te doen aan datgene wat ze heeft meegemaakt.

 

 

Terugblik

Deze bevindingen tonen aan dat onderzoek niet kan bestaan uit het toepassen van bestaande theorieën op een praktische situatie, maar dat het noodzakelijk is keer op keer opnieuw te leren kijken en luisteren. In dit geval was het belangrijk om de verschillen op te merken in de verhalen die er zijn, en te concluderen dat dit het begrip ‘slachtoffer’ diversifieert. Niet alleen is het daarbij noodzakelijk dat er een dialoog ontstaat tussen de groep van ‘slachtoffers’ en de politiek, maar het is ook van cruciaal belang dat er onderling een discussie op gang komt. Het gaat daarbij niet om de vraag wie het meest geleden heeft, maar om de erkenning dat iedereen op zijn of haar manier geleden heeft. Het is precies deze benadering die ik in mijn huidige promotieonderzoek poog voort te zetten. Het erkennen en meenemen van individuele verhalen maakt dat we de soms te sterk door politieke idealen gedreven ‘officiële’ verhalen van lijden, zoals die bijvoorbeeld vaak worden verteld door musea, kunnen openbreken. Op deze manier is het wellicht mogelijk de vicieuze cirkel van haat en verdeeldheid te doorbreken, en een halt toe te roepen aan het geweld dat een gebied als Iraaks-Koerdistan tot op de dag van vandaag verscheurt. 

 

 

Bareez Majid (Sulaymaniyah, 1987) studeerde Literatuurwetenschappen en Middle Eastern Studies. Momenteel doet ze promotieonderzoek aan de Universiteit Leiden. Voor haar ma-scriptie won ze de Visions on Peace Thesis Award en de Volkskrant iisg-scriptieprijs.