Hoogleraar Genderstudies met een fascinatie voor buitenbeentjes en spelen met verschil

Portret van Willy Jansen
Op 6 november 2015, aansluitend op de afscheidsrede van collega-antropoloogen levenspartner Henk Driessen (zie ZemZem 2/2015), sprak Willy Jansen haarafscheidsrede uit als hoogleraar Genderstudies aan de Radboud Universiteit. Jansen was sinds 1975 verbonden aan die universiteit; eerst als student-assistent en junior onderzoeker bij antropologie, daarna bij het Instituut voor Genderstudies, waar ze in 1992 hoogleraar werd. Veel van het veelzijdige onderzoek van Jansen speelt zich af in het Midden-Oosten. Samen met oud-student en oud-collega Marjo Buitelaar blikt zij terug op haar loopbaan. Deel 23 in de serie Afscheid van een generatie.
Marjo Buitelaar

Als kind wilde Willy Jansen (1950) missiezuster in Afrika worden. Op de zolder van het ouderlijk huis in het Gelderse Angeren had ze voor haar poppen een missiehospitaaltje ingericht. Zelf herinnert ze het zich niet, maar volgens haar moeder gaf ze als ‘missiezuster’ haar zieke poppen eerst allemaal een ‘pilletje’, om vervolgens naast hun bedjes te gaan zitten lezen. In deze anekdote over de kleine Willy komen enkele terugkerende thema’s in het leven van de scheidende hoogleraar samen, zoals de drang om de wijde wereld in te trekken, een enorme liefde voor lezen en leren, en zich niet klakkeloos voegen naar gangbare gender-opvattingen. Wie Willy Jansen kent, herkent in de anekdote ook haar faciliterende zorgzaamheid en het creatieve vermogen om pragmatisch en efficiënt alles te halen uit de situaties waarin ze zich begeeft.

 

 

Een buitenbeentje

Als enig meisje tussen zeven broers was Willy in het gezin Jansen een buitenbeentje. Dit is van grote invloed geweest op de keuzes die ze in haar leven heeft gemaakt: ‘Ik was niet de meisjesachtige dochter die mijn moeder graag had willen hebben. Van heel jongs af aan heb ik me ertegen verzet dat mijn broers van alles mochten wat ik niet mocht, en dat ik bijvoorbeeld hun schoenen moest poetsen op zaterdagochtend. Waarom zouden ze dat niet zelf doen? Ik vond dat ik net zoveel recht had om buiten te rennen of boeken te lezen als zij. Dat was een heel basaal soort feminisme.’

 

 

Ook in het dorp waar het gezin woonde, was Jansen een buitenbeentje. Het had haar vader altijd dwars gezeten dat hij niet had kunnen doorleren omdat hij nodig was op de boerderij. Daarom mochten zijn kinderen wel doorleren, inclusief zijn dochter. Toen hij haar kansen daarop wilde verbeteren door haar voor het laatste jaar van de lagere school naar Arnhem te sturen, gaf dat beroering in het dorp: ‘Dat was een hele revolutie. Eerst kwam de leraar, toen het schoolhoofd, en daarna ook nog de pastoor om op mijn vader in te praten. Later is het gewoon geworden dat meisjes doorleerden, maar destijds was ik een voorloper.’

 

Studeren

Gaan studeren paste echter niet in het wereldbeeld van het gezin Jansen: ‘Dat was iets voor andere mensen, voor een andere klasse.’ Toch wilde Willy na voltooiing van de hbs niet meteen gaan werken. Ze vroeg met succes een beurs aan om een jaar op een Amerikaanse highschool te gaan leren en werkte na terugkeer twee jaar als secretaresse om de ouderlijke bijdrage aan de reiskosten die haar vader door ziekte niet had kunnen betalen alsnog te voldoen. Na die twee jaar en goed advies van een Turkse vriend wist ze dat ze toch echt wel wilde gaan studeren. Ze slaagde voor het toelatingsexamen voor de Hogeschool voor Toerisme, maar de directeur van de Hogeschool adviseerde haar niet te komen: ‘Je bent het type dat daarna naar de universiteit gaat, dus dat kun je dan maar beter meteen doen.’ Niet-westerse sociologie leek wel geschikt. ‘Dat kon in Amsterdam en in Nijmegen. Iedereen ging naar Amsterdam, dus ik koos Nijmegen. Maar daar was het alleen een kopstudie na sociologie of antropologie. Ik dacht: iedereen doet sociologie, dus doe mij maar antropologie.’ Dat bleek een goede keuze. Tijdens het eerste college werd een film vertoond over indianen, en Jansen wist meteen: ‘Hier kom ik thuis. Dit is wat ik altijd al wilde, alleen wist ik nog niet hoe het heette.’

 

 

Gaande het interview valt op dat Jansen steeds nadrukkelijk andere dan de gebruikelijke keuzes maakt. Desgevraagd verklaart ze dat als volgt: ‘Het heeft allemaal te maken met weg willen uit het dorp. Ik was heel nieuwsgierig maar voelde me constant geremd. Ik ga graag mijn eigen weg, ik wil niet opgelegd krijgen hoe het moet en ik wil ook heel erg weinig aan anderen opleggen. Wat dat betreft ben ik een echte antropoloog: luisteren naar de lokale stemmen vind ik belangrijker dan het opleggen van een veranderingsmodel van buitenaf. Ik vind het nog steeds moeilijk om mijn oordeel te geven. Het is bijvoorbeeld te complex om op voorhand te zeggen of je voor of tegen de hoofddoek bent. Het gaat me om de beweegredenen van mensen zelf. Sommige beweegredenen zal ik dan misschien persoonlijk niet waarderen, maar ik wil begrijpen waarom het door die persoon zelf wel gekozen of geaccepteerd wordt.’

 

Algerije

Naast antropologie studeerde Jansen ook Talen en Culturen van het Midden-Oosten, waarvan ze op één vak na de kandidaatsopleiding afrondde. Na een reis door het Midden-Oosten wilde ze voor haar doctoraalscriptie onderzoek in Libanon gaan doen, maar kort daarop brak daar de burgeroorlog uit. Dus besloot ze naar Algerije te gaan: ‘Dat was een spannend land omdat er maar weinig onderzoekers naartoe gingen, dus dat was wel wat voor mij.’ Voor het veldwerk moest ze Algerijns-Arabisch leren: ‘Dat kon je nergens in Nederland studeren. In Utrecht heb ik toen een cursus Marokkaans gedaan en in Nijmegen Egyptisch. Ik dacht: Algerijns zal er wel ergens tussenin liggen. Verder heb ik in Parijs een boek en langspeelplaat gekocht met de uitspraak, en zo heb ik via zelfstudie het Algerijnse dialect geleerd. Maar het blijft een ingewikkelde taal hoor.’

 

 

Tijdens haar leeronderzoek naar de gevolgen van de landbouwhervormingen voor vrouwen in een Algerijns dorp raakte Jansen gefascineerd door het leven van vrouwen die, net als zij, buitenbeentjes waren: ‘Ik heb wat met uitzonderingen op het patroon. In het dorp had je ook vrouwen die uitzonderingen waren op het genderpatroon. Dus ik vroeg me af: waarom kan die vrouw wel over straat? Kan zij wel onderwijs geven? Waarom is die vrouw vertegenwoordigster van de vrouwenorganisatie geworden? Met die vrouwen trok ik ook op. Dus ik dacht: die groep is interessant voor verder onderzoek.’ Maar voordat ze plannen voor verder onderzoek uitwerkte, vergezelde Jansen eerst nog haar partner Henk Driessen tijdens diens veldonderzoek in Spanje: ‘Henk werkte aan zijn promotieonderzoek en ik had een leeslijst voor het eindtentamen meegenomen. Toen ben ik echt huisvrouw geworden, op zijn Spaans dan hè. Dus elke ochtend stoepje vegen en zo. Maar dat was heel belangrijk, want dat was het moment waarop vrouwen met elkaar praatten, dus dan kon je heel traditioneel huisvrouw zijn en toch veldwerk doen.’ 

 

 

Kort nadat ze cum laude afstudeerde op haar scriptie ‘Als gazellen uit de woestijn’ werd Jansen in 1980 aangenomen als junior onderzoeker bij de afdeling antropologie in Nijmegen voor vervolgonderzoek naar Algerijnse vrouwen die afweken van het gebruikelijke genderpatroon. In 1981 keerde ze terug naar Algerije, dit keer naar een middelgrote stad voor onderzoek onder alleenstaande vrouwen: ‘Ik had contact met een interessante antropoloog uit Kabylië, Mahfoud Bennoune. Hij heeft me bij een paar mensen geïntroduceerd. Maar officiële toestemming om onderzoek te doen heb ik nooit gekregen. Bennoune zei over mijn onderzoeksvoorstel dat het onderwerp veel te gevoelig lag. Dus heb ik een politiek ongevaarlijk onderwerp geformuleerd. Na zes maanden, toen ik de helft van mijn onderzoek al gedaan had, kwam het bericht dat ik geen toestemming kreeg. Toen dacht ik: ja, maar nou ga ik niet meer weg. Ik heb toen tegen mijn contacten gezegd dat ik naar huis ging, want ik wilde hen niet belasten, en ben toen terug naar het veld gegaan.’

 

 

Zoals Jansen in het cv achter in haar dissertatie vermeldde, werd het schrijven van het proefschrift dat ze in 1987 voltooide ‘op een plezierige wijze onderbroken door de geboorte van haar dochter Miriam’. Het proefschrift, uitgegeven bij Brill onder de titel Women without Men: Gender and Marginality in an Algerian Town, leverde haar een ‘Honorable Mention’ (eervolle vermelding) op voor de prestigieuze Malcolm H. Kerr Dissertation Award 1987 van de Middle East Studies Association of America (mesa).

 

Instituut voor genderstudies

Als junior onderzoeker verzorgde Jansen onderwijsmodulen op het terrein van genderstudies. Na de oprichting van het Centrum voor Vrouwenstudies solliciteerde Jansen daar met succes op de functie van universitair docent: ‘Daarbij gold een tweesporenbeleid waarbij medewerkers bij hun eigen instituten zaten, dus een bij psychologie, ik bij antropologie, enzovoort, en daarnaast meedraaiden in interdisciplinaire vakken.’ Er werd een leerstoel ingesteld en daar kwam Christien Brinkgreve op. Toen Brinkgreve vertrok, solliciteerde Jansen met succes op die post: ‘Ik vond mezelf daar toen nog wel jong voor. Het was een zware baan, ik heb het wel heel pittig gevonden. Ik zie soms hoogleraren met drie of vier kinderen, nou dat zou ik echt niet kunnen; één was nog net te doen en dan alleen omdat ik veel steun van Henk heb gehad. Met name de laatste jaren heeft hij bijvoorbeeld eigenlijk altijd gekookt.

 

 

Zonder hem had ik het veel moeilijker gehad. Dat is een soort veilige basis. Dan zei hij ’s avonds bijvoorbeeld: “Nou je boek dicht, we gaan een film kijken”.’ Eenmaal directeur van wat later Institute for Gender Studies is gaan heten,  richtte Jansen zich vooral op het ontwikkelen van onderzoeksprojecten waarbinnen zijzelf een coördinerende rol had. Daarover zegt ze: ‘Dat vind ik horen bij de taak van een hoogleraar; het gaat erom dat je anderen faciliteert. Dus niet alleen zorgen dat je zelf onderzoek kunt doen, maar zorgen dat anderen onderzoek kunnen doen. Dat heb ik altijd belangrijk gevonden. Dat is ook een deel van het werk waar ik echt van heb genoten: alles wat mijn promovendi bedacht hebben. Een goed hoogleraar zorgt ervoor dat het team gedijt. Ik vond het leuk om het instituut op de kaart te zetten, en terugkijkend vind ik dat dat aardig gelukt is.’

 

 

Pragmatische keuzes

Door creatieve en pragmatische keuzes te maken, lukte het Willy om ook zelf onderzoek te blijven doen. Was ze tijdens haar doctoraalstudie naar Algerije gegaan omdat Libanon te gevaarlijk was geworden, inmiddels was Algerije te gevaarlijk geworden. Hoe kijkt ze daar op terug? Jansen: ‘Ik heb dat gedwongen verleggen van de aandacht nooit erg gevonden; de overblijvende opties zijn altijd interessanter gebleken dan ik aanvankelijk gedacht had. Mijn hele leven heeft wel in dat teken gestaan: niet treuren bij wat niet kan, dan maar wat anders.’ Aanvankelijk wilde Jansen naar Jemen, samen met haar destijds vierjarige dochter Miriam. Vanwege de slechte staat van de gezondheidszorg daar en omdat ze erachter kwam dat er al aardig wat was geschreven over Jemen, werd het uiteindelijk Jordanië. Maar ook daar bleek het onhandig om Miriam bij zich te houden: ‘Miriam was heel groot, en kwam over als een meisje van een jaar of zeven waarvan al een bedeesd en ingetogen gedrag verwacht werd. Maar ze was pas vier, dus zag ze een matras op de grond, dan ging ze koppeltjeduikelen. Toen de andere kinderen haar voorbeeld volgden en lekker in het zand buiten gingen spelen, kregen ze klappen. Al dat soort dingen zijn voor meisjes “‘ayb”(niet netjes). Dus ik zat haar alsmaar te corrigeren. Toen dacht ik: nee, dat ga ik mijn kind niet aandoen. Ik ga van haar geen Arabisch meisje maken. Ik ben de hele dag bezig haar te laten zijn wat ik niet wil dat ze moet zijn. Dus toen is ze weer met Henk mee naar huis gegaan.’

 

 

Op de Yarmouk University in Irbid, waar Jansen gastcolleges gaf, viel het haar op dat er veel vrouwelijke studenten waren en – anders dan aan Nederlandse universiteiten – ook de helft van de staf vrouw was: ‘Toen ben ik me gaan richten op de geschiedenis van het onderwijs; de impact op het onderwijs van het feit dat de helft van de bevolking bestaat uit Palestijnen, ook al mag je dat niet hardop zeggen. Zo ontdekte ik ook de rol van de christelijke scholen, de christelijke missie vanuit Palestina. Ik ben zo uitgekomen bij de Zusters van de Rozenkrans, die vanuit Palestina veel gedaan hebben voor het opzetten van onderwijs met name voor meisjes in het hele Midden-Oosten.’

 

Verschuivingen

Bij Jansens afscheid als hoogleraar refereerden verschillende mensen die haar toespraken eraan dat het betoog in haar inaugurele rede uit 1993, Mythen van het Fundament, over de keuzes van moslimvrouwen om strikter te gaan leven naar wat voor hen de regels van de islam zijn, nog altijd actueel is. Hoe ziet ze dat zelf? Jansen: ‘Onderzoek naar vrouwen die de sluier gingen dragen was toentertijd tamelijk nieuw, vooral het idee dat ze dat ook konden doen om emancipatoire redenen. Wie toen aandacht kregen waren de revolutionairen, de vrouwen die hun sluier afdeden. In het westers perspectief werd de sluier tamelijk ahistorisch opgevat: die vrouwen dragen een sluier, en wij dragen geen sluier. Later zijn daar wel meer studies over gekomen. Wat veranderde is dat men ging historiseren. Zoeken naar achtergronden, niet automatisch veroordelen of in een simplistisch machtsmodel duwen, maar laten zien hoe het voordelen en functies met zich meebrengt die misschien niets met godsdienst te maken hebben. In mijn begintijd in Algerije was de sluier gewoon een mode-item. Vrouwen waren niet zo bezig met religie, daar hadden ze het niet over. Als het over de sluier ging, was het in termen van: is hij van zijde, van kunststof, hoe koel is-ie.’ 

 

 

Inmiddels is daar wel verandering in gekomen, zo constateert Jansen: ‘Mensen zijn steeds religieuzer gaan praten en handelen. Je ziet de hele cultuur nu opschuiven: de mooi geborduurde jurken verdwijnen, gekleurde hoofddoeken verdwijnen, het wordt allemaal een beetje grauw en eenvormig. Dat beangstigt me wel een beetje hoor, de kleur verdwijnt uit het leven. En die bruiloften zijn niet meer zo leuk, er mag soms niet meer gedanst worden. Tegelijkertijd denk ik: als je dat historisch beziet, dan weet je dat het dus ook weer een andere kant kan opgaan. Maar het kan nog wel lang duren voordat ze doorhebben dat dit ook niet zo’n leuk leven is. Maar goed, wie ben ik om daar wat van te vinden?’ 

 

 

Ook in het academisch debat is de aandacht sterk verschoven naar religie: ‘Het rare is dat de onderwerpen waarmee ik me bezighield, steeds religieuzer zijn geworden, dus daar kreeg ik ook mee te maken. Het is een soort framing: als je je met het Midden-Oosten bezighoudt, dan moet het nu kennelijk over religie gaan, dan moet je je ook tot de islam verhouden. Ook westerse problemen als migratie of multiculturaliteit werden steeds meer geframed in termen van religie, bijvoorbeeld in het nwo-programma The Future of the Religious Past of het norface-programma Re-emergence of Religion as a Social Force in Europe? Het waren mogelijkheden van onderzoek waar we dankbaar gebruik van gemaakt hebben.’

 

Fascinatie voor mensen

Jansens eigen fascinatie betreft dus niet zozeer religie, als wel hoe mensen Spelen met Verschil, zoals de titel van haar afscheidscollege luidde. Samen met Henk Driessen doet ze momenteel onderzoek naar de manier waarop tijdens het feest van de ‘Moros y Cristianos’ (Moren en Christenen) in de Spaanse stad Alcoi gangbare etnische en genderopvattingen zowel worden bevestigd als doorbroken tijdens de rituele heropvoering van de slag tussen christenen en moslims in 1276. Ook blijft ze de komende jaren nog actief betrokken bij verschillende onderzoeksprojecten naar seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in Bangladesh. Het verschil is wel dat ze nu kalmer aan kan doen en tijd krijgt voor andere activiteiten, zoals vrijwilligerswerk met asielzoekers: ‘Als je nagaat hoeveel gastvrijheid wij in het Midden-Oosten genoten hebben, dat kun je nooit evenaren, maar ik vind het belangrijk om tenminste iets terug te kunnen doen door mensen uit Syrië die nu hier naartoe komen bij te staan. ‘Marjo Buitelaar is hoogleraar Hedendaagse Islam aan de Faculteit Godgeleerdheid & Godsdienstwetenschap van de Rijksuniversiteit Groningen.